software als zekerheid in faillissement

Hoe specifiek moet software zijn omschreven in een pandakte om aan een schuldeiser verhaal te kunnen bieden bij faillissement? Deze vraag staat centraal in de zaak ING/Schepel q.q. van 3 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:590).

Feiten

CompLions is een softwarebedrijf. ING heeft in 2008 krediet verstrekt aan CompLions, hierbij heeft CompLions al haar huidige en toekomstige bedrijfsactiva, voor zover nodig bij voorbaat, verpand aan ING.

CompLions heeft op 15 juli 2016 (een deel van) haar software verpand aan BDO. Hierbij is de software van CompLions expliciet omschreven.

CompLions gaat op 16 mei 2017 failliet. Na het faillissement wil CompLions een doorstart maken en wil CompLions de eerder genoemde software dus van de curator kopen. Na instemming van ING en BDO verkoopt en levert de curator de auteursrechten op de software aan de doorgestarte vennootschap CompLions-GRC B.V. Hiervoor wordt een koopsom van € 155.000,- betaald. Na de verkoop dient ING een vordering in bij de curator van € 140.951,13.

De curator weigert de vordering. De curator en BDO (hierna: curator c.s.) stellen zich op het standpunt dat ING geen geldig pandrecht heeft op de software. Daarmee zou ING geen recht toekomen om zich met voorrang te verhalen op de inkomsten uit de verkoop van de software. Curator c.s. gaan uiteindelijk naar de rechter en vorderen een verklaring voor recht dat ING geen geldig pandrecht heeft verkregen op de auteursrechten op de verkochte software.

Geding in eerste aanleg

De rechtbank beslist bij mondeling vonnis dat de vordering van curator c.s. wordt toegewezen en verklaart dus voor recht dat ING géén geldig pandrecht heeft verkregen op de auteursrechten op de verkochte software. Volgens de rechter is de omschrijving in de pandakte zo breed dat hieronder niet alleen goederen vallen waarop zo een pandrecht kan worden gevestigd, maar ook goederen waarop dit niet kan (o.a. registergoederen). De rechtbank  overweegt dat een omschrijving die erop neerkomt dat alle goederen worden verpand, waaronder dus ook de auteursrechten op de software, onvoldoende bepaald en ook onvoldoende bepaalbaar is (lees: specifiek genoeg omschreven). Hierbij verwijst de rechter naar HR 20 september 2002 (Mulder q.q./Rabobank).

In HR Mulder q.q./Rabobank stond de vraag centraal hoe gedetailleerd een vordering moet zijn om geldig verpand te kunnen worden. De Hoge Raad stelde in deze uitspraak vast dat het voor het vestigen van een pandrecht voldoende is dat de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering(en) het gaat.

De rechtbank stelt in deze zaak echter vast dat de Hoge Raad in het Mulder q.q./Rabobank niet verwijst naar een pandakte waarin een pandrecht is gevestigd op “alle goederen”, maar op een specifieke categorie goederen, namelijk vorderingen op derden. Deze vorderingen worden erdoor gekenmerkt dat hun bestaan en omvang uit de administratie kan worden afgeleid. Dat is volgens de rechtbank in deze zaak met software echter niet het geval.

Meteen naar de Hoge Raad

ING gaat vervolgens in (sprong)cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank en slaat dus het Gerechtshof over. ING klaagt in cassatie dat de rechtbank heeft miskend dat ook voor de verpanding van andere goederen dan vorderingen op derden, aan het vereiste van voldoende bepaaldheid is voldaan als de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke goederen het gaat.

De Hoge Raad volgt de redenering van ING. De Hoge Raad verwijst in zijn uitspraak naar HR 16 mei 2003 (X/Rabobank). Dit arrest volgt dezelfde lijn als HR Mulder q.q./Rabobank, voegt hier echter nog een onderdeel van uitleg van de pandakte aan toe. Onder verwijzing naar de recente uitspraak HR 22 november 2019 (Holding BV/Heijmans Infra BV) wordt vervolgens geoordeeld dat niet is uitgesloten dat ook auteursrechten kunnen zijn verpand in een algemene pandakte zolang de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld dat dit auteursrecht tot de verpande goederen behoort.

De Hoge Raad komt tot de conclusie dat de rechtbank heeft miskend dat ook andere (verpandbare) goederen dan vorderingen op derden kunnen worden verpand. Hieronder valt dus ook het auteursrecht op software. De Hoge Raad stelt vervolgens expliciet dat het niet vereist is dat het bestaan en de omvang van dit auteursrecht uit de administratie van de gefailleerde dient te kunnen worden afgeleid, of dat dit auteursrecht op de balans van de gefailleerde staat vermeld. Of auteursrecht behoort tot “alle huidige en toekomstige Bedrijfsactiva”, zoals beschreven in de pandakte tussen ING en CompLions, kan ook worden vastgesteld aan de hand van andere objectieve gegevens dan de administratie en de balans van CompLions.

De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijst het geding terug ter verdere behandeling en beslissing.

Conclusie

De maatstaf zoals omschreven in Mulder q.q./Rabobank is dus ook van toepassing op auteursrechten. Sterker, deze maatstaf geldt waarschijnlijk voor intellectuele eigendomsrechten in het algemeen. Een algemene verpanding kan dus voldoende zijn om een zekerheidsrecht te vestigen op deze rechten, mits in de pandakte voldoende objectieve gegevens staan om te achterhalen wat nu precies verpand is.

Deze uitspraak kan eveneens van belang zijn bij de overdracht van intellectuele eigendomsrechten, namelijk wanneer er naderhand discussie ontstaat over de vraag wat nu precies is overgedragen.

This site is registered on Toolset.com as a development site.