HR: rechten van betrokkenen, herhaalde verzoeken en de zeswekentermijn.

In een recent arrest oordeelde de Hoge Raad over een aantal procedurele aspecten voor de uitoefening van rechten van betrokkenen op grond van de (Uitvoeringswet) Algemene Verordening Gegevensbescherming (“(U)AVG”). Lees in dit blog meer over de civielrechtelijke handhaving van rechten van betrokkenen, ‘herhaalde’ verzoeken en wat voor effect het verstrijken van de zeswekentermijn voor het instellen van een verzoekschriftprocedure heeft.

Verzoeken van betrokkenen: artikel 12 AVG en art. 35 lid 2 UAVG

De zaak die in cassatie wordt behandeld betreft een kort geding vordering tot verwijdering van een BKR-registratie.[1] Dit is een interessante uitspraak, omdat hiermee uitleg wordt gegeven aan een aantal procedurele aspecten bij het behandelen van verzoeken van betrokkenen op grond van de (Uitvoeringswet) Algemene Verordening Gegevensbescherming (“(U)AVG”).

In artikel 12 AVG wordt uitgelegd hoe verzoeken van betrokkenen moeten worden behandeld door de verwerkingsverantwoordelijke. Uit het artikel blijkt onder andere een reactietermijn (lid 3 en lid 4) en hoe er dient te worden omgegaan met verzoeken die ‘kennelijk ongegrond of buitensporig’ zijn (lid 5). Tegen een beslissing van een verwerkingsverantwoordelijke (niet zijnde een bestuursorgaan, daarvoor geldt artikel 34 UAVG) is op grond van artikel 35 lid 2 van de Uitvoeringswet AVG (“UAVG”) binnen zes weken een verzoekschriftprocedure mogelijk.

Deze cassatieprocedure gaat in essentie over drie vragen.

  1. Is een herhaald verzoek waarin geen nieuwe feiten en omstandigheden worden aangedragen per definitie kennelijk ongegrond of buitensporig?
  2. Kan een betrokkene alleen zijn of haar rechten handhaven via een de verzoekschriftprocedure?
  3. Welke mogelijkheden heeft de betrokkene na het verstrijken van de zes weken termijn in artikel 35 lid 2 UAVG?

De procedure in eerste en tweede aanleg

Betrokkene heeft een studentenlening afgesloten bij ING, maar voldoet niet aan haar betalingsverplichtingen. De lening en drie bijzonderheidscodes (o.a. over de betalingsachterstand) worden bij het BKR geregistreerd. Uiteindelijk voldoet zij haar schuld volledig en geldt als geregistreerde einddatum daarvan in het BKR 24 maart 2017. 

  • 27 juni 2018 verzoekt betrokkene ING de BKR-registratie te verwijderen.
  • 23 juli 2018 wijst ING het verwijderverzoek af.
  • 7 augustus 2018 wijst SNS Bank vanwege de BKR-registratie een aanvraag voor een hypothecaire lening van betrokkene af.
  • 4 september 2018 verstrijkt de zeswekentermijn.
  • 30 oktober 2018 vordert betrokkene in kort geding verwijdering van de BKR-registratie.

De voorzieningenrechter verklaart de betrokkene in haar vordering niet-ontvankelijk, omdat de zeswekentermijn na 23 juli 2018 was verstreken. Het Hof bekrachtigt dit vonnis en overweegt dat na het verstrijken van de zeswekentermijn in beginsel eerst opnieuw bezwaar moet worden gemaakt. Het Hof weegt uitdrukkelijk mee dat de betrokkene te allen tijde, en dus ook meerdere malen, bezwaar kan maken tegen de verwerkingsactiviteiten. Mocht de betrokkene na het verstrijken van de termijn toch de weg van het kort geding kiezen, dan geldt – tegen de achtergrond van het doel van de zeswekentermijn en de wetgeschiedenis[2] – volgens het Hof een verzwaarde stelplicht voor betrokkene.

Indien hij niettemin na het verstrijken van die termijn de weg van het kort geding verkiest, zal hij zijn spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening tegen de achtergrond van het voorgaande moeten onderbouwen.”[3]

Tegen dit arrest wordt cassatie in het belang der wet ingesteld. De Hoge Raad gaat niet mee met het Hof en oordeelt als volgt.

In het kort

De Hoge Raad geeft met dit arrest uitleg over een aantal procedurele aspecten voor het uitvoeren van rechten van betrokkenen. Samengevat volgt hieruit dat een herhaald verzoek, waarin geen nieuwe feiten en omstandigheden worden aangedragen, niet per definitie kennelijk ongegrond of buitensporig is. Dat wordt anders wanneer de verwerkingsverantwoordelijke kan aantonen dat het verzoek kennelijk ongegrond of buitensporig is.

Het staat een betrokkene bovendien vrij om vóór, tijdens of na een verzoekschriftprocedure een voorlopige voorziening in kort geding te vorderen. De verzoekschriftprocedures staat naast een kort geding procedure en sluit deze dus niet uit.

Het verstrijken van de zes weken termijn in artikel 35 lid 2 UAVG maakt het voorgaande niet anders. Wanneer de betrokkene een verzoek herhaalt en de verwerkingsverantwoordelijke dit verzoek afwijst, start opnieuw de termijn van zes weken. Bovendien ontstaat na het verstrijken van de termijn geen verzwaarde stelplicht voor het spoedeisend belang voor een voorlopige voorziening in een kort geding procedure.

Hierna worden de verschillende vragen nader besproken.

1. Is een herhaald verzoek waarin geen nieuwe feiten en omstandigheden worden aangedragen per definitie kennelijk ongegrond of buitensporig?

Uit jurisprudentie volgt dat onzekerheid bestond over hoe omgegaan moest worden met herhaalde verzoeken waaraan de betrokkene geen nieuwe feiten en omstandigheden ten grondslag legt. Dit kwam met name ter sprake in het kader van het recht van bezwaar (zie hierover meer in de ‘kroniek uitoefening AVG-rechten door betrokkenen (mei 2020-oktober 2022)’).

Eerst overweegt de Hoge Raad op basis van de considerans dat de AVG een consistent en hoog beschermingsniveau moet bieden (ov. 10). Bovendien moeten er regelingen voorhanden zijn waardoor betrokkenen hun rechten makkelijker kunnen uitoefenen (ov. 59).

Vervolgens behandelt de Hoge Raad de specifieke rechten en overweegt dat geen van de artikelen een beperking bevat ten aanzien van de frequentie van de verzoeken. In ieder geval volgt uit ‘te allen tijde’ in artikel 21 AVG dat bezwaar meermaals kan worden ingediend. Bovendien volgt uit artikel 12 lid 5 AVG dat betrokkenen verzoeken meermaals kunnen doen. Immers kan de verwerkingsverantwoordelijke kosten in rekening brengen of weigeren aan een verzoek te voldoen als dit verzoek kennelijk ongegrond of buitensporig is, met name vanwege het repetitieve karakter.

Op basis hiervan komt de Hoge Raad tot het oordeel dat een herhaald verzoek van de betrokkene, zonder dat daaraan gewijzigde feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, niet reeds kennelijk ongegrond of buitensporig is.

2. Civiele handhaving van rechten van betrokkenen: kort geding procedure vs. verzoekschriftprocedure

Uit artikel 261 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (“Rv”) volgt dat een zaak als een verzoekschriftprocedure moet worden behandeld wanneer dit uit de wet volgt. Wanneer dit niet in de wet is vastgelegd, dient de bodemprocedure ingeleid te worden met een dagvaarding. Op grond van artikel 254 Rv is een voorzieningenrechter bevoegd om een voorlopige voorziening toe te wijzen wanneer de belangen van partijen dit vereisen. Deze procedure is naar haar aard niet inwisselbaar met een bodemprocedure (door verzoekschrift of dagvaarding).[4]

De verzoekschriftprocedure in artikel 35 UAVG is in zoverre dus exclusief dat de betrokkene, om voor zijn rechten op te komen, de verzoekschriftprocedure niet mag verruilen voor een bodemprocedure ingeleid met een dagvaarding. Dit neemt echter niet weg dat het de betrokkene vrij staat om, wanneer hij daar een spoedeisend belang bij heeft, een voorlopige voorziening te vragen in kort geding.

3. Welke mogelijkheden heeft de betrokkene na het verstrijken van de zeswekentermijn in artikel 35 lid 2 UAVG?

Uit het voorgaande volgt dat herhaalde verzoeken dus niet per definitie kennelijk ongegrond of buitensporig zijn. Bovendien kan een betrokkene zowel de route van een verzoekschriftprocedure als die van een kort geding kiezen. De vraag resteert dan nog wat voor effect het heeft dat de termijn van zes weken inmiddels is verstreken. De Hoge Raad bespreekt twee mogelijkheden.

  1. Allereerst staat het, zoals hiervoor toegelicht, de betrokken vrij om opnieuw het verzoek te doen bij de verwerkingsverantwoordelijke. Als dit wordt afgewezen dan start een nieuwe termijn ingevolge artikel 35 lid 2 UAVG en kan de betrokkene binnen zes weken na deze (tweede) beslissing alsnog een verzoekschriftprocedure starten.
  2. Daarnaast staat het de betrokkene ook vrij om in kort geding een voorlopige voorziening te vorderen. Voor de onderbouwing van de spoedeisendheid gelden in dit geval géén hogere eisen dan die normaal gelden voor een kort geding.

De betrokkene heeft dus de mogelijkheid om een kort geding vordering in te stellen na het verstrijken van de zeswekentermijn. Uiteraard staat het de verwerkingsverantwoordelijke vrij om bij de voorzieningenrechter daar tegen in te brengen dat het verzoek van de betrokkene kennelijk ongegrond of buitensporig is. Daarvoor is dan alleen meer nodig dan het enkele feit dat het een herhaald verzoek is.


[1] Hoge Raad 15 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1216

[2] Gerechtshof Amsterdam 5 november 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3966 r.o. 2.4

[3] Gerechtshof Amsterdam 5 november 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3966 r.o. 3.4.6.

[4] Zie in dit kader ook de overwegingen van de procureur-generaal F.F. Langemeijer Hoge Raad 9 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1154